« Vorige pagina


Oprichting werven


Ver voordat er sprake was van de rijkswerf “Willemsoord” waren er werven verspreid over de Nederlanden. Vanaf de 17e eeuw beschikte de toenmalige zeemachten over eigen scheepswerven voor nieuwbouw en reparatie.

De Marinewerven
Nederland kende vanaf 1597 vijf verschillende admiraliteiten die door de zee-gewesten zelf werden bestuurd. Zeeland, Amsterdam en Friesland hadden ieder hun eigen marine organisatie.
In Holland waren in 1573 twee afzonderlijke admiraliteiten ontstaan: De Maze (Zuid-Holland), met de zetel in Rotterdam en het Noorderkwartier, waar de admiraliteit afwisselend in Hoorn en Enkhuizen vergaderde. Samenvoeging van de verschillende admiraliteiten werd eeuwenlang door de verschillende gewesten tegengehouden. Maar er zijn ook voorgangers geweest en sommige admiraliteiten hebben hun zetel een keer verplaatst. Daarom zijn er tien plaatsen die wij ‘admiraliteitsstad’ noemen: Veere, Vlissingen, Middelburg, Rotterdam, Delft, Amsterdam, Dokkum, Harlingen, Hoorn en Enkhuizen. De werven van de admiraliteiten en van de VOC waren gevestigd in Middelburg, Rotterdam met Delfshaven (de voorhaven van Delft), Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Harlingen.
Zij waren de grootste in hun soort en altijd verzekerd van werk aan onderhoud, reparatie en nieuwbouw. Immers, ook de uitrusting van de oorlogsschepen en Oost-Indiëvaarders werd op deze werven verzorgd.
Zij waren ook de grootste werkgevers, op hun werven liep een hoog aantal personeelsleden rond, in Amsterdam vaak meer dan duizend. Op de VOC-werf in Middelburg waren het rondom 1700 meer dan driehonderd. Alle overige werven waren eigendom van particuliere scheepsbouwers.
Toen de Republiek der Zeven Provinciën was omgezet in een Koninkrijk, na een twintig jaar van velerlei omwentelingen, na een halve en hele bezetting door Fransen, waren de werven der oude Admiraliteiten er nog, en zij werden voorshands Marinewerven.
Maar in de loop van de 19e eeuw verdwenen zij voor het grootste deel.
Die van Rotterdam is op geen wijze terug te vinden, behalve in de „Admiraliteitskade”; die van Vlissingen werd de Koninklijke Maatschappij „De Schelde”. De Friese werf is „a thing of the past”. Overbleven er twee: de Amsterdamse en die van Hellevoetsluis, vermeerderd met een nieuwe te Den Helder.
In “Helder” (later Den Helder) bestond op het eind van de 18e eeuw een kielplaats, die door Napoleon tot basis met werf werd uitgebreid. D.w.z., dat was zijn plan, maar het werd onder Willem i tot uitvoering gebracht en men kan zeggen, dat de werf omtrent 1825 in actie begon te komen.
Van de drie Marinewerven heeft eigenlijk alleen Amsterdam op belangrijke wijze tot de nieuwbouw van schepen voor Marine en Loodswezen bijgedragen. De andere twee waren in hoofdzaak reparatiewerven. Oorspronkelijk werd van Amsterdam uit het bevel over het „hoofddepartement van de Zuiderzee”, dat ook de werven en andere inrichtingen te Medemblik en Willemsoord en het hospitaal te Enkhuizen omvatte. Op 1 januari 1818 ging het hospitaal te Enkhuizen echter over naar het Departement van Oorlog, de werf te Medemblik werd in 1828 opgeheven en in 1843 vervielen de drie hoofddepartementen van de Zuiderzee, de Maze en de Schelde. In hun plaats kwamen vijf Directiën: Vlissingen, Hellevoetsluis, Rotterdam, Amsterdam en Willemsoord. In 1850 werden werf en Directie te Rotterdam opgeheven, in 1868 volgden die te Vlissingen. Daarmee hield de marine één werf over, waar grote schepen konden worden gebouwd. Willemsoord en Hellevoetsluis bouwden wel af en toe een scheepje, maar waren toch speciaal bestemd voor onderhoud, herstelling en conservatie — ook werden de op de Amsterdamse werf gebouwde schepen meestal te Willemsoord getuigd.
Omtrent 1912 is besloten tot opheffing van de werf in Amsterdam. De laatste schepen waren 3 pantserschepen, waarvan Hr. Ms. Friso aan het begin van de tweede wereldoorlog eervol op het IJsselmeer door bommen ten onder ging. Nadat in 1928 een poging tot opheffing van de Marinewerf te Hellevoetsluis was mislukt is het sluiten van deze werf in 1933 dan toch een feit geworden. Zo is er dan nog maar een landswerf over, de Rijkswerf te Den Helder, gelegen op het, door grachten omringd terrein, dat ook andere Maritieme inrichtingen omvat, en dat “Willemsoord” genoemd werd.
Hoewel de genoemde Admiraliteitswerven in Middelburg, Rotterdam, Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Harlingen een bijzonder grote rol gespeeld hebben in de geschiedenis van de marinewerven, voert het te ver om de historie van deze werven hier verder uit te diepen. Degene die hier in geïnteresseerd zijn zal voldoende informatie vinden op het internet en in de lectuur hierover. Voor de ontstaanshistorie van de Rijkswerf “Willemsoord” te Den Helder hebben de laatst genoemde twee werven van die in Amsterdam en Hellevoetsluis een grotere rol gespeeld. De historie van deze werven wordt hieronder beschreven.

De Marinewerf te Amsterdam.

Op de werf werden een groot aantal oorlogsschepen voor de Nederlandse marine gebouwd. In 1867 werd de werf ingericht voor de bouw van ijzeren schepen. Ook werden er toen voorzieningen getroffen voor het bewerken van pantserplaten, waarvoor o.a. een gloeioven en een galvaniseerinrichting werden geïnstalleerd. In hetzelfde jaar 1867 werd het eerste Nederlandse pantserschip, de toen hypermoderne Prins Hendrik der Nederlanden, afgeleverd door de werf van Laird te Birkenhead. De opzet was om, vooral in het begin, de gepantserde schepen die in het buitenland gebouwd waren en door de marine aangeschaft waren te kopieren om ervaring op te doen met de bouw van dit soort schepen. Later bouwde men schepen naar Nederlands ontwerp. Men bouwde onder ander ramtorenschepen, pantserschepen, pantserdekschepen, kanonneerboten en monitors. Naast gepantserde schepen bouwde men ook schroefstoomschepen van onder andere de Atjehklasse.
Van een serie van vier kleinere pantserschepen voor de kustverdediging, die in 1867 op stapel werden gezet, kwamen er weer drie van buitenlandse werven. Het vierde, de Guinea, was het eerste op Kattenburg gebouwde pantserschip. Als men ziet dat de zusterschepen Stier, Schorpioen en Buffel in 1868 te water liepen, terwijl de Guinea eerst in 1870 volgde, moet men wel aannemen dat er waarheid schuilt in het toentertijd vaak gehoorde verwijt dat de Rijkswerf langzaam, en daardoor ook duur, bouwde. Toch was daar in deze tijd de leiding in handen van een uitzonderlijk bekwaam man, de Ingenieur der Eerste Klasse, later Hoofdingenieur, dr. B. J. Tideman, van 1867 tot zijn overlijden in 1883 Hoofd van het Vak van Scheepsbouw op ’s Rijks Werf te Amsterdam. Tideman verwierf zich internationale vermaardheid door zijn sleep- proeven met modellen, toen een zeer moderne methode, die alleen nog maar in Engeland werd toegepast. Hij had daarvoor in het werfbassin een “proefdok” ingericht, waarvan omstreeks 1935 nog resten aanwezig waren. In mei 1912 werd door de Tweede Kamer het voorstel van Minister Wentholt, een pantserschip van 7 000 ton op de Rijkswerf te Amsterdam te laten bouwen, verwor¬pen. Hierdoor ontstond het gevaar, dat de werf gebrek aan werk zou krijgen. Dit gebrek zou vermoedelijk chronisch worden omdat men vrijwel algemeen van oordeel was dat de marine af moest stappen van de bouw van middelgrote pantserschepen en over moest gaan op werkelijke slagschepen — een type, voor de bouw waarvan de werf op Kattenburg volkomen ongeschikt was.
Op 23 april 1912 was reeds een commissie benoemd om de Minister te adviseren of de opheffing van de Amsterdamse Rijkswerf wenselijk was. Het is begrijpelijk dat zij, nu de kaarten zo lagen, toen zij op 6 september 1912 het eerste deel van haar rapport uitbracht daarin adviseerde om tot opheffing over te gaan. De Staten-Generaal bleken, toen in 1913 de financiële regeling ten behoeve van het personeel, dat als gevolg van de opheffing zou moeten afvloeien, ter sprake kwam, geen enkel bezwaar te hebben tegen het verdwijnen van de werf.Het Koninklijk Besluit van 9 februari 1914 (no. 17) markeerde het einde van een geschiedenis van meer dan twee en een halve eeuw: ’s Rijks Werf te Amsterdam zou geleidelijk worden opgeheven als inrichting van aanbouw en herstelling. De definitieve sluitingsdatum zou nader door de Minister van Marine worden bepaald. Er was nl. nog vrij veel werk in uitvoering. In 1915 hield de werf op te bestaan.

 

De Marinewerf te Hellevoetsluis (1813-1933).

Dankzij de investeringen die in de Franse Tijd waren gedaan, beschikte Hellevoetsluis over een moderne werf met een gloednieuw Droogdok.
Verder bestond de werf uit diverse loodsen, werkplaatsen en magazijnen. Als werkplaatsen waren er de bankwerkerij, de ketelmakerij en gieterij, de scheepsbeschieterswerkplaats, de houten en de ijzeren scheepmakerij, de takelaarswerkplaats, de smederij, de monteurswerkplaats en de zeilmakerij. Tegen het einde van de negentiende eeuw werd op de Rijkswerf ook een deel van het Marinetorpedodienst ondergebracht: het torpedoatelier. Daar vonden de scheepstimmerlieden, schilders, modelmakers, voorslagers, ketelmakers, smeden en zeilmakers hun werk. In 1887 werkten er 310 arbeiders op de marinewerf.
In de loop van de negentiende eeuw onderging de werf diverse veranderingen, mede vanwege de introductie van stoomkracht. Maar de werf in Hellevoetsluis raakte steeds verder verouderd. Omdat vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw het voortbestaan van de werf voortdurend ter discussie stond, werd er niet geïnvesteerd in modernisering van de werktuigen. Ook lagen de verschillende werkplaatsen ver uit elkaar, en door het ontbreken van transportmiddelen liepen reparaties vertraging op en waren de kosten onnodig hoog. in 1921 viel de werf gedeeltelijk stil, ‘De Marine’ vertrok naar Den Helder. Men had het wel kunnen zien aankomen. In 1916 begon het met de opheffing van de ‘Machinisten’ opleiding, vier jaar later, in 1920 volgde de matrozenopleiding. Wel was er in 1914 de Mijnendienst bijgekomen, maar dit was onvoldoende om de ontstane leemten te vullen. Na de Eerste Wereldoorlog werd de Rijkswerf al behoorlijk ingekrompen. In de jaren ’20 werd de Marinewerf omgevormd tot een Rijkswerf, zodat niet alleen de marine, maar ook andere onderdelen van de rijksoverheid opdrachten konden laten uitvoeren. Zo werden er motorvletten voor Rijkswaterstaat, tonnen en boeien voor het loodswezen en zoeklichten voor de genie gemaakt. Uiteindelijk mocht het niet baten. In 1933 vertrok de Torpedo Compagnie, een aantal wachtlieden bleven over en de werf werd definitief gesloten. De Rijkswerf te Hellevoetsluis werd in 1934 opgeheven.
..