« Vorige pagina


Nieuwediep, Het nieuwe werk (kielplaats)


HET NIEUWE WERK, 1790 tot en met 1827.

 

“Het Nieuwe Werk”, de voorloper van de rijkswerf “Willemsoord”.
“Het Nieuwe Werk” was een kielplaats voor het kalefaten van de, voor die tijd, grotere zeeschepen. Voor hen die niet weten wat de betekenis van ,,kielen” is even een toelichting: in de tijd van de zeilvaart werd de scheepshuid onder de waterlijn met koperen platen beslagen. Al varende hechtten zich daar aangroeisel aan vast en meestal in zulke mate, dat de vaart van het schip daar ernstig door werd belemmerd. Zo’n aangegroeid schip werd dan naar een kielplaats verhaald, waar het, na eerst van zijn inventaris te zijn ontdaan, door middel van kabels en lieren op een zijkant werd getrokken. Op die manier werd de arbeiders gelegenheid gegeven de aangroeisel te verwijderen en eventueel de koperen platen te vernieuwen. Was het schip aldus aan een zijde bewerkt, dan werd het op de andere zijde getrokken, waar de bewerking zich herhaalde.

Het “Nieuwe Werk” werd tussen 1790 en 1792 ten oosten van het vissersdorp “Helder” aangelegd maar het ontstaan is afhankelijk geweest van de aanleg van de haven, waartoe eerst de geschiedenis van de aanleg van de haven verteld wordt.

De aanleg van de haven “Het Nieuwe Diep”.
De kust van Holland tot aan het gehucht “Hellere” vormde een aaneengesloten lijn waardoor het vloedwater alleen door het Marsdiep naar binnen kon stromen. Maar wat voor het vloedwater gold, was evenzeer waar voor het ebwater, dat als kortste weg naar zee nu ook zijn baan door het Marsdiep moest nemen.
Dit leverde voor de bewoners van het Koegras voordeel op: het aan- en wegstromende water kwam en ging in één richting, waardoor het moerassige Buitenveld steeds meer aanslibde.
De bewoners konden het aangeslibde gebied met dijkjes beschermen en het op die manier – zij het tijdelijk – op de zee veroveren. Deze dijkjes waren te enenmale onvoldoende om hoge vloeden te keren, zodat deze kleine poldertjes telkens weer overstroomden en drassig bleven. Dit was zelfs in de Franse tijd, toen er aan de forten werd gewerkt, nog het geval.
Door het samenspel van gesloten zeegaten en grotere en kleinere inpolderingen werd het ebwater gedwongen een nieuwe weg naar zee te zoeken, benoorden het voormalige eiland Huisduinen om en langs het punt dat als Wierhoofd bekend staat. De aanvankelijke ondiepe geul werd door de eeuwige beweging van de getijden steeds verder uitgeschuurd, werd steeds dieper en dieper, zodat zich mettertijd een ,,Nieuw Diep” vormde.

Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, nauwelijks een halve eeuw na het gereedkomen van de Oldenbarneveltsdijk, was het Nieuwe Diep aan de monding reeds twaalf voet diep.
De vorming van deze nieuwe vaargeul ontsnapte niet aan de aandacht van de toenmalige vroede vaderen van Huisduinen, die in 1647 de aandacht van de Staten van Holland op deze uitzonderlijke goede en beschutte ligplaats vestigden. Een commissie uit de Staten Generaal deed aanbevelingen om van dit Nieuwe Diep een gepast gebruik te maken, doch het kwam niet tot uitvoering van deze plannen: de rede van Texel was immers nog goed genoeg!
Meer dan een eeuw verliep voordat het Nieuwe Diep weer ter sprake kwam. De rede van Texel bood, doordat de banken voor de Zuidkust van ligging veranderden, geen voldoende bescherming meer en ook het gebruik van het Oude Veer, waar ’s lands schepen van oorlog de wintermaanden werden opgelegd, ondervond bezwaren. Een en ander had tot gevolg, dat stadhouder Willem V zich ín 1779 sterk voor het Nieuwe Diep begon te interesseren.
Hij stelde ter plaatse een persoonlijk onderzoek in maar vreesde – overigens niet ten onrechte – dat de Staten van Holland er niet veel voor zouden voelen om medewerking te verlenen, omdat de Zuiderzeesteden, waarvan de havens aan het verzanden waren, zoals Enkhuizen, Medemblik en Hoorn een belangrijke mededingster in de nieuwe haven zouden zien. Als een doel moeilijk rechtstreeks te bereiken is, wil een omweg wel eens uitkomst brengen. Daarom stelden enige invloedrijke Statenleden zich in verbinding met de Amsterdamse Admiraliteit en deze wisten inderdaad resultaat te boeken: de Stadhouder werd op 20 April 1781 door de Staten-Generaal gemachtigd om in overleg met de Admiraliteit van Amsterdam en de Gecommitteerde Raden van Amsterdam en het Noorderkwartier het Nieuwe Diep tot een veilige ligplaats voor ’s lands schepen van oorlog te maken.
De kapitein ter zee May, de inspecteur van de waterstaat Bruning en de landmeters Goudriaan, Den Berger en Harge lieten geen tijd verloren gaan en dienden reeds in Juli 1781 – slechts drie maanden later – hun uitgewerkte plannen bij de Gecommitteerde Raden van Amsterdam en het Noorderkwartier in. Volgens hun waarnemingen vloeide niet al het ebwater door het Nieuwe Diep, doch liep een belangrijk deel over de ten oosten gelegen zandplaten: de Zuidwal en de Harssens.
Indien het mogelijk zou blijken meer ebwater door het Nieuwe Diep te dwingen, zou de geul sneller en meer uitschuren en zou toch de stroom niet te sterk worden voor de daar ten anker liggende schepen.

In 1781 hield men blijkbaar van snel werken: de door May en Goudriaan opgestelde plannen werden vrijwel direct goedgekeurd en op 5 September 1781 werden de havenwerken aanbesteed. De opzet was om meer ebwater door het Nieuwe Diep te dwingen en om dat te bereiken moest het over de zandplaten wegstromende water worden opgevangen. Daartoe werd een vangdam gelegd op de Zuidwal, een dam voorzien van een houten beschoeiing en steenstorting die een hoogte kreeg van even boven de hoogste vloedstand.
De lengte van deze vangdam was aanvankelijk 2260 meter.
De waterbouwkundigen waren van plan er later nog een stuk aan te zetten doch wilden eerst eens nagaan hoe deze vangdam zich onder buitengewone omstandigheden zou houden, zoals bijvoorbeeld bij stormvloeden en ijsgang.
Van het westelijke uiteinde van deze vangdam werd een andere dijk gelegd tot tegenover ,,Wierhoofd”, zodat het ebwater gedwongen werd door de monding van het Nieuwe Diep te stromen. Tegelijkertijd werden de harde banken in de monding met krabbers losgewoeld. Deze beide dammen, de vangdam en de leidam, kwamen in Oktober 1782 gereed en toen reeds bleek, door de werking van het ebwater, de monding van het Nieuwe Diep dertig tot vijftig centimeter dieper geworden.
Doch de deskundigen waren niet tevreden, Het kon nog beter.
Er zou dus nóg meer ebwater moeten worden opgevangen. Daarom werd er naar de richting van het Koegras, tegenover de vangdam, een ,,bovenleidam” gelegd met een lengte van 504,5 meter, waarnaast een geul van zeshonderdtien meter lang en ongeveer 37 meter breed tot zes meter beneden het laagwaterpeil werd gebaggerd. Inmiddels bleek de oorspronkelijke vangdam tegen alle weersinvloeden bestand te zijn en werd in 1785 nog een stuk van 753 meter precies in het verlengde en 376 meter onder een hoek van ongeveer 135 graden gelegd.
Nu moest nog slechts één gedeelte van het plan worden uitgevoerd om de ebstroom zijn maximale effect te geven. Het Nieuwe Diep moest overal op gelijke breedte worden gemaakt. Aan de oostzijde lag de leidam, doch de westelijke begrenzing van het diep was nog onbepaald, daar lag het drassige land dat bij vloed onderliep en waar dus ook het ebwater nog gedeeltelijk kon wegstromen. Om daar een eind aan te maken werden aan de westelijke oever een aantal paalhoofden geslagen, die tot op precies 131,80 meter van de leidam doorliepen: op dezelfde wijze dus als men in een rivier kribben legt om de stroomdraad de gewenste richting te geven en te versnellen. En daarmee was de haven volgens plan afgewerkt.
In vier jaren tijd was een behoorlijke haven gemaakt van een geul die door de ebstroom was ontstaan. Een haven die niet veel kans liep om te verzanden, omdat diezelfde ebstroom haar
op de juiste diepte hield. Er was een veilige ligplaats gekomen voor de oorlogsschepen, een vluchthaven, die niet meer dan zes- à zevenhonderdduizend gulden had gekost.
Doch verder was er niets dat normalerwijze bij een haven behoorde: er was geen gelegenheid de schepen te kalefaten of te dokken; er waren geen magazijnen, er was geen arsenaal, er was geen accommodatie aan de wal – er was alleen maar een haven, een veilige ligplaats, waarvan een druk gebruik werd gemaakt; want toen in 1789 de advocaat-fiscaal Van der Hoop, de latere minister van marine, het Nieuwe Diep bezocht, lagen er 151 zeeschepen. Van der Hoop betoonde zich enthousiast over de stroom, die de haven op diepte hield. Het personeel van de vloot zal wel minder enthousiast zijn geweest, want er was in de naaste omgeving niets te bekennen dat ook maar enigermate op een stad geleek: Alleen maar slik en schorren en op een kwartier gaans over de ,,kapitale Helderse zeewering”, het dorp Helder.

HET ,,NIEUWE WERK”.

Het is geen wonder dat haast direct na het gereedkomen van de haven er stemmen opgingen om tot een goede en doelmatige verdediging van dit uiterst noordelijke puntje vasteland van Noord-Holland te komen. In de winter lag praktisch de gehele vloot in het Nieuwe Diep en een gedeelte van de schepen was – zo niet onttakeld – toch niet gereed om direct uit te varen. Bovendien lag het Nieuwe Diep, strategisch bezien, op een zeer belangrijk punt. Al het inkomende en uitgaande scheepsverkeer naar de Hollandse koopsteden Enkhuizen, Medemblik, Hoorn en Amsterdam, en niet te vergeten naar Kampen en Zwolle met het rijke Duitse achterland, ging via het “Marsdiep”, de rede van Texel.
Daarom mocht aan deze noordpunt van Noord-Holland terecht de naam worden toebedeeld van sleutel op de toegangsweg tot de Hollandse koopsteden. Deze situatie was ook de Staten-Generaal niet ontgaan en een tweetal jaren na het gereedkomen van de haven, in 1787, oordeelde een commissie reeds, dat het van grote waarde zou zijn als bij de haven een dok en werkplaatsen zouden verrijzen, zodat de schepen van de oorlogsvloot ter plaatse gerepareerd konden worden en niet voor het minste of geringste naar Medemblik of Amsterdam zouden behoeven te zeilen. Ook werd in het advies de wenselijkheid uitgesproken van een betere havenverdediging, met het oog op een buitenlandse vijand. Zoals de situatie nu was zou immers een vijandelijke vloot de haven alleen maar beschermd vinden door een paar open batterijen met onvoldoende vuurkracht. Wat dat betreft werd de haven nog beter verdedigd door de zandbanken op de toegangsweg.

 

Er werd geen gevolg gegeven aan de adviezen die de commissie uit de Staten-Generaal had opgesteld. Het duurde nog twee jaar, voordat de Staten van Holland besloten tot de aanleg van kielplaatsen die door verdedigingswerken zouden worden omringd. Daarbij werd de bepaling gemaakt, dat er behalve de kielplaatsen, geen lands- of particuliere werven, fabrieken of woonhuizen mochten worden gebouwd. De schepen mochten er alleen gekield en schoongemaakt worden en verder mochten alleen die reparaties worden verricht, die bij het kielen noodzakelijk bleken. Dus wéér beperkende bepalingen, om de tegenstand van Amsterdam te voorkomen.
Deze kielplaats, alras in de volksmond .,Het Nieuwe Werk” genoemd, een benaming die zij gedurende heel haar bestaan heeft behouden, werd in April 1790 aanbesteed en het maken van een schutsluis enige maanden later, in oktober. Twee jaar werd aan het graven en bouwen besteed; in 1792 kwam één en ander klaar.

Dus daar, voorbij het einde van de haven, lag het Nieuwe Werk, een ruitvormig oppervlak, dat door dijken werd ingesloten en beschermd tegen het vloedwater.

In de loop van de jaren werden er alleen de hoogstnodige magazijnen en werkplaatsen gebouwd: behalve de werkelijke Kielplaats een geschutmakerij, een smederij, enkele kranen, pakhuizen en houtloodsen.

De werklieden op het Nieuwe Werk, deze voorloper van de tegenwoordige Rijkswerf, leidden daar een niet erg gelukkig leven.
Deze mensen, die dag in dag uit op het Nieuwe Werk hun arbeid moesten leveren, waren gedwongen om met hun gezinnen op een paar afgekeurde oorlogsschepen te wonen vanwege het verbod van de Staten van Holland, dat er geen woonhuizen mochten worden gebouwd op of nabij het Nieuwe Werk. Alleen voor de directie waren er een paar huizen gebouwd. Het was trouwens niet zo, dat iedereen ,,vrijwillig” op dat afgelegen Nieuwe Werk zijn brood verdiende, want als er teveel werk was voor de vaste kern van werklieden, werd er personeel van de werven te Amsterdam en Medemblik ,,gedetacheerd”. Deze mensen vonden een onderkomen op het wachtschip ,,Verwachting”, terwijl vijfenzestig gezinnen het afgekeurde linieschip ,,Zoutman” bewoonden en de ,,Constitutie” tot hospitaalschip werd ingericht.

Men zal zich afvragen waarom deze mensen dan niet in het dorp Helder gingen wonen. Dat was praktisch onmogelijk, want alleen bij eb was het Nieuwe Werk via de slikken van het Koegras te bereiken. Het zou tot 1812 duren voordat de verbinding tussen het Wierhoofd en het Nieuwe Werk werd gemaakt, de tegenwoordige havendijk. Wilde iemand van het Nieuwe Werk naar het dorp, dan stonden hem twee wegen open; bij laagwater over het Koegras gaan, door een moerassig gebied, waar planken en bruggetjes waren gelegd over de watergeulen, of met een bootje naar het Wierhoofd varen en zijn weg via de Helderse Zeedijk vervolgen.
Het Nieuwe Werk heeft een rumoerige tijd meegemaakt. Nadat het in 1792 gereedgekomen was klonk in 1795 de leuze ,,Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap”, waarmee de Bataafse Republiek zijn intrede deed. Bij de landing van de Engelsen en Russen in 1799 viel de inventaris van de magazijnen de invallers als een welkome buit in handen. In de toen volgende jaren beslisten de machthebbers in Holland, dat de oorlogsschepen niet meer naar Amsterdam mochten varen om te dokken; dat moest of aan het Nieuwe Diep of in Medemblik gebeuren. In die tijd bereikte het aantal werklieden het maximum van ruim 700 en werd er soms wel meer dan f 12.000 per maand aan lonen uitbetaald.
Doch eigenlijk werd reeds in de Franse tijd over de toekomst van het Nieuwe Werk beslist. De door Blanken in 1803 uitgewerkte plannen voor een groot maritiem etablissement, dat na de restauratie als ,,Willemsoord” werd uitgevoerd, vond genade in de ogen van Koning Lodewijk en van zijn grote broeder, Napoleon I. Deze decreteerde, dat van Den Helder de grootste oorlogshaven, het grootste arsenaal en de grootste marinewerf in Nederland gemaakt moest worden.

Het Nieuwe Werk vond in die grootse plannen voor de komst van de oorlogshaven geen plaats als te bescheiden van opzet, het bleef bestaan tot ,,Willemsoord” gereed was en zelfs nog enige jaren daarna.

Op 17 november 1827 droeg de kapitein-luitenant ter zee N. A. de Vries, onderdirecteur der Marine te Willemsoord, het ,,Nieuwe Werk van 1792″ met sassluis, installaties en gebouwen over aan het Departement van Oorlog, vertegenwoordigd door de luitenant-kolonel-ingenieur W. Valter, eerstaanwezend ingenieur aan Den Helder, die reeds opdracht had gekregen daar een fortificatie, fort Oostoever, te bouwen. Het werd al spoedig gebruikt als opstelling voor geschut, ter bestrijking van het Koegras bij een eventuele aanval uit het zuiden. De Fransen namen het in hun plannen op als fort Dugommier, waartoe het zou worden voorzien van een bedekte weg met lunet. In 1833-1835 werd het omgewerkt tot het fort Oostoever. Tezamen met het fort Westoever wel aangeduid als het fort aan het Noordhollands kanaal.